LAND VAN HERKOMST: België.
PUBLICATIEDATUM VAN GELDIGE ORIGINELE STANDAARD:
25.03.2003
GEBRUIK: Waak-
GROEPSINDELING F.C.I.: Groep 9: Gezelschapshonden.
Sectie 3: Kleine Belgische hondenrassen.
Zonder werkproef.
KORT HISTORISCH OVERZICHT:
De drie rassen (Brussels Griffonnetje, Belgisch Griffonnetje en Klein Brabandertje) zijn
ontstaan uit een klein, ruwharig hondje, "Smousje" genaamd, dat reeds eeuwenlang in de
Brusselse contreien voorkwam.
Inkruising in de 19de eeuw van de Ruby King Charles Spaniel en de Mopshond heeft de
zwarte en korte beharing ingebracht en het huidige rastype gefixeerd. Deze kleine hondjes
zijn zeer waakzaam en werden gefokt om de koetsen te bewaken en de stallen vrij te houden
van knaagdieren.
In 1883 werden de eerste Brusselse Griffonnetjes geregistreerd in het L.O.S.H. (Stamboek
St. Hubertus), met name Topsy (L.O.S.H. Nr. 163) en Foxine (L.O.S.H. Nr. 164). Rond 1900
werden ze zeer populair, onder meer dank zij de koninklijke belangstelling vanwege de
Belgische koningin Maria-
Talrijke hondjes werden naar het buitenland geëxporteerd en hebben bijgedragen aan de
verspreiding en de populariteit van het ras.
ALGEMEEN VOORKOMEN: Een klein gezelschapshondje; verstandig, evenwichtig,
alert, fier, robuust, nagenoeg inschrijfbaar in een vierkant; goed van bot, maar eveneens
elegant in zijn beweging en zijn bouw; de aandacht trekkend door zijn bijna menselijke
expressie.
De twee Griffonnetjes zijn ruwharig en onderscheiden zich door hun kleur, terwijl het
Klein Brabandertje kortharig is.
BELANGRIJKE VERHOUDING: De lichaamslengte, vanaf het boegpunt tot aan het
zitbeenpunt, moet zoveel mogelijk gelijk zijn aan de schofthoogte.
GEDRAG – KARAKTER: Een klein, evenwichtig hondje, alert, fier, zeer gehecht aan
zijn meester, zeer waakzaam. Noch schuw, noch agressief.
HOOFD: Is het lichaamsdeel dat het meest karakteristiek is en dat het meest in het oog
springt. Het hoofd is tamelijk groot in verhouding tot het lichaam en het heeft een bijna
menselijke uitdrukking. Bij de Griffonnetjes is het haar op het hoofd hard, rechtopstaand en
warrelig; het is langer boven de ogen, op de neusrug, de wangen en de kin en het vormt er het
hoofdgarnituur.
SCHEDELGEDEELTE: Breed en rond. Het voorhoofd is goed gewelfd.
Stop: zeer geaccentueerd.
3
SNUITGEDEELTE:
Neus: neusspiegel zwart. Bevindt zich op dezelfde hoogte als de ogen. De neus is breed en de
neusgaten goed geopend. De punt van de neus is naar achteren gekanteld, waardoor, van
terzijde gezien, de kin, de neus en het voorhoofd op een en dezelfde lijn liggen.
Snuit: de neusrug, de neus inbegrepen, is zeer kort: niet langer dan 1,5 cm. Een correcte
neusrug lijkt langer bij het Klein Brabandertje, door het ontbreken van het garnituur. Een niet
opgewipte neusrug, evenals een neus met de bovenzijde gelegen onder de verbindingslijn
van het ondergedeelte van de ogen, geven een verkeerde expressie en zijn zware fouten.
Lippen: zwart. De boven-
geen hanglip vormen en niet overhangen. Een te losse bovenlip verstoort de gewenste
expressie.
Kaken / tanden: de onderkaak is goed opwaarts gebogen, breed, niet puntig en steekt uit voor
de bovenkaak; het ras is ondervoorbijtend. De zes snijtanden van iedere kaak zijn bij voorkeur
regelmatig en in rechte lijn ingeplant, boven en onder mooi evenwijdig aan elkaar. De mond
moet goed sluiten, waarbij noch de tanden, noch de tong zichtbaar zijn. De breedte en het
vooruitsteken van de kin zijn van groot belang. Er moet op gelet worden dat er geen
snijtanden ontbreken.
Ogen: goed uit elkaar, groot en rond, nooit uitpuilend. Bruin van kleur, zo donker mogelijk.
Zwart omrand en bij voorkeur zonder het wit van de oogbol te laten zien. Een klein of een
ovaal of een licht gekleurd oog zijn fouten.
Oren: klein, hoog aangezet, voldoende ver uit elkaar. Niet-
halfstaand gedragen en vallen naar voren. Te grote oren zijn ongewenst, evenals opzij van het
hoofd neerhangende oren. Gecoupeerde oren zijn puntig en rechtopstaand. Gecoupeerde en
niet-
HALS: Van gemiddelde lengte; harmonisch in de schouders overgaand.
LICHAAM: De lichaamslengte (romp-
algemeen voorkomen is dit van een vierkant en krachtig hondje.
Schoft: licht uitkomend.
Rug: recht, kort en sterk.
Lenden: kort en gespierd, zeer licht gewelfd.
Kruis: breed, vlak of hoogstens zeer licht hellend.
Borst: breed, diepte tot ellebooghoogte. Duidelijk boegpunt, dus een in profiel licht
vooruitkomende voorborst. De ribben goed gewelfd, maar niet tonvormig of te vlak.
Onderbelijning: buik licht opgetrokken; flanken goed uitkomend.
STAART: Hoog aangezet en tamelijk hoog gedragen. De gecoupeerde staart is met 2/3 van
zijn lengte ingekort.
De niet-
nochtans zonder die te raken en zonder te zijn opgerold. Een van nature korte, een gebroken
of een over de rug gerolde staart zijn zware fouten.
LEDEMATEN:
VOORSTE LEDEMATEN:
Algemeen beeld: de voorbenen parallel, goed van bot en voldoende uit elkaar staand.
Schouders: normale schouderhoeking.
4
Ellebogen: goed aanliggend.
Polsen: stevig.
Voeten: klein, rond, noch naar binnen, noch naar buiten gericht. De tenen goed gesloten; het
is een fout wanneer ze met elkaar vergroeid zijn. Voetkussens dik en zo donker mogelijk.
Nagels bij voorkeur zwart, zo gepigmenteerd mogelijk.
ACHTERSTE LEDEMATEN:
Algemeen beeld: de achterste ledematen goed van bot en goed parallel, in harmonie met de
voorste ledematen gehoekt.
Knieën: voldoende gehoekt.
Sprongen: laag bij de grond, van achteren bezien noch eng, noch wijd.
Voeten: zie voorste ledematen. Wolfsklauwen niet gewild.
GANGWERK: Krachtig, parallelle beweging van de ledematen, met een goede
achterhandstuwing. Hoogdraven (steppen) en telgang zijn fouten.
VACHT:
HAAR:
Vachtsoorten: het Brussels Griffonnetje en het Belgisch Griffonnetje zijn twee ruwharen met
ondervacht. Hun haar is van nature ruw, licht gegolfd, niet gekruld, maar getrimd. Het moet
voldoende lang zijn om de structuur ervan te kunnen beoordelen. Te lang haar schaadt het
silhouet en is niet gewild. Zijde-
Het Klein Brabandertje is kortharig. Het haar is stug, aanliggend en glanzend, met
maximumlengte 2 cm.
Hoofdgarnituur: bij de Griffonnetjes begint het garnituur (baard en snor) onder de lijn
neus-
haar, dat langer is dan op de rest van het lichaam. Het haar boven de ogen moet langer zijn
dan op de rest van de schedel en het vormt er de wenkbrauwen.
KLEUR:
Brussels Griffonnetje: rood, rossig; wat zwart aan het hoofdgarnituur wordt getolereerd.
Belgisch Griffonnetje: zwart, zwart met roestbruin (brand). De roestbruine aftekeningen
moeten zuiver zijn en diep van kleur. Ze bevinden zich aan de voorbenen, van de voeten tot
aan de polsen, en aan de achterbenen, van de voeten tot aan de sprongen. Aan de binnenzijde
van de ledematen reiken ze hoger. De aftekeningen komen ook voor op de voorborst, de
wangen, de kin, boven de ogen, aan de binnenzijde van de oren, onder de staart en rond de
anus. Het zwart kan vermengd zijn met roodbruin, wat toegelaten is, alhoewel zuiver zwart en
zwart met roestbruin de voorkeur hebben.
Klein Brabandertje: dezelfde kleuren als bij de Griffonnetjes. Heeft een donker masker. Grijs
in het masker van oudere honden mag niet bestraft worden.
Bij de drie rassen worden enkele witte haren op de voorborst getolereerd, maar ze zijn niet
gewenst.
GEWICHT: Varieert tussen 3,5 en 6 kg.
-


